De laatste avond in Alkmaar at ik bij mijn vaste pizzeria. In het verleden at ik er met mijn nichtje en mijn zus, met mijn lief, met mijn vorige partner, met haar broer en haar ouders, met collega’s van de ene en de andere werkgever, kortom vaak.
Het is echt zo’n cliché pizzeria. Geblokte tafelkleedjes, chianti flessen in mandjes aan de muur, foto’s van voetbalelftallen, winnende teams uit de regio waar het personeel vandaan kwam en lokale teams die door de pizzeria gesponsord werden. En een tiental Italianen die met zwaar accent Nederlands spreken.
Nu was ik er al een tijdje niet geweest. De geruite kleedjes waren vervangen door plexiglas tafels met een houtprintje, doekje er over en schoon. De chianti mandjes en elftalfoto’s vervangen door een modern houten lambrisering en nep planten. Fris en schoon, maar ook wat zielloos.
Maar het ergst was het personeel. De Italianen vertrokken, de pizzabakkers van Noord-Afrikaanse afkomst, een Somalische afwashulp, een gehelmde bezorger die dwars door de zaak banjert om zijn volgende bestelling te halen en in de bediening een Chinese dame met het onvermijdelijke “hebben lekkel gesmaak?”. Ik verwachte zelfs een “willen sambal bij?”.
Maar de pizza was goed en door de speakers klonk nog altijd jaren tachtig Italiaanse popmuziek, zoals het hoort.